Katarsis VZW, Hasseltweg 439, B-3600 Genk • info@katarsis.be
T +32.(0)11.27.27.82 • F +32.(0)11.27.48.78
 

PUBLICATIES: Een noodlottige zelfoverschatting van het bewustzijn (Prof. dr. R.W. Wiers)


Het ontstaan van verslavingsgedrag bij jongeren

<download folder (pdf)>

Waarom zijn er zoveel jongeren die te veel drinken, of beginnen te roken, terwijl ze weten dat het slecht voor ze is? Als je het ze vraagt, krijg je allerlei antwoorden: ‘voor de gezelligheid’, ‘omdat het lekker is’ of ‘omdat het erbij hoort’. Maar geven dergelijke verklaringen van middelengebruikers werkelijk weer wat hen drijft? Inmiddels zijn we in staat ook de meer automatische en minder bewuste processen te meten die een rol spelen bij verslavingsgedrag. De kennis die dat oplevert heeft implicaties voor ons denken over het ontstaan, voorkomen en behandelen van verslavingsgedrag.
Prof. dr. R.W. Wiers
Wat antwoordt een verslaafde wanneer je hem vraagt waarom hij doorgaat met zijn verslavingsgedrag, terwijl het zoveel negatieve consequenties met zich meebrengt? Een verslaafde zal vaak zeggen dat hij niet anders kan. Dit is de kern van het woord ‘verslaving’: iemands gevoel van vrije wil wordt aangetast door de verslaving. Ik spreek over ‘hij’ en ‘hem’ als het om de anonieme gebruiker of verslaafde gaat, omdat verslavingen primair een mannenprobleem zijn. Bij jonge mannen is middelenmisbruik en -afhankelijkheid zelfs de meest voorkomende psychiatrische diagnose in Nederland (Bijl et al., 1997). Vrouwen en meisjes zijn overigens wel bezig met een inhaalslag en er zijn enige empirische aanwijzingen dat verslavingsgedrag bij meisjes en vrouwen sneller tot diverse medische complicaties leidt (zie Wiers, Vink & De Vries, 2007).
Vrije wil en keuzegedrag

Voordat we specifiek naar verslavingsgedrag kijken, is het goed een algemenere vraag te stellen. Waarom doen mensen eigenlijk wat ze doen? Hoe maken mensen keuzes? Waarom koopt iemand bijvoorbeeld een pak koekjes van de ene en niet van de andere soort? Nisbett en Wilson schreven hier een geruchtmakend artikel over in de jaren zeventig, met de veelzeggende titel ‘Telling more than we can know’. Wat bleek: mensen konden prachtige verhalen vertellen om hun gedrag uit te leggen. Zo zeiden ze bijvoorbeeld een specifiek pak koekjes gekozen te hebben op basis van prijs, kwaliteit of gezondheid. Maar wat hun gedrag werkelijk voorspelde, was de plek in het koekjesvak: koekjes die rechts liggen worden nu eenmaal vaker gekozen dan koekjes die links liggen, ongeacht de soort koekjes. Kortom: de verhalen die we vertellen om onze keuzes te rechtvaardigen, reflecteren niet altijd de daadwerkelijke keuzefactoren (Nisbett & Wilson, 1977; zie ook Wilson, 2002).

In een recent onderzoek gingen Wegner en Wheatley (1999) nog een stap verder. Zij onderzochten de randvoorwaarden waaronder mensen het gevoel van ‘vrije wil’ ervaren, ook wanneer hun (keuze)gedrag aantoonbaar veroorzaakt wordt door een ander. Wanneer ontstaat het gevoel van vrije wil? Wegner en Wheatley noemen drie voorwaarden: we moeten de actie bewust overwegen kort voordat we de actie uitvoeren; de actie volgt consistent op deze gedachte; er zijn geen voor de hand liggende andere oorzaken van de actie. Als hieraan is voldaan, krijgen we het gevoel dat we het zelf doen, of dit nu waar is of niet.

De boodschap van Wegner is niet dat gedachten niet kunnen leiden tot acties. Waar het om gaat is dat het gevoel van vrije wil een mentale constructie is en geen directe weergave van de werkelijke oorzaken van een actie (Wegner, 2002; 2004). Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de ‘vrije wil’ een gevoel is, vergelijkbaar met het gevoel ergens al eerder geweest te zijn, wat soms ook onterecht kan ontstaan (het bekende déjà-vu-fenomeen of zoals veel Amerikanen zeggen ‘déjà vu all over again’). Het gevoel van vrije wil ontstaat typisch bij acties waar we zelf invloed op kunnen uitoefenen, oftewel bij acties die gereguleerd kunnen worden (en bijvoorbeeld niet bij reflexen). Sommige wetenschappers speculeren dat het gevoel van vrije wil nuttig en wellicht noodzakelijk is voor het leren en ontwikkelen van sociaal gedrag en moraliteit (Glymour, 2004; Wegner, 2004).

In de psychologie speelt de vrije wil geen prominente rol, maar wel het onderscheid tussen gecontroleerde en automatische processen. Dat overlapt niet helemaal met het onderscheid tussen bewuste en onbewuste processen (zie bijvoorbeeld Dijksterhuis & Nordgren, 2006) en ook niet helemaal met dat tussen gewilde en onwillekeurige processen. Gecontroleerde processen zijn langzaam en kosten moeite, ze hebben een beperkte capaciteit. Automatische processen gaan snel en je kunt er veel tegelijk doen. Wie iets leert, bijvoorbeeld autorijden, gebruikt veel gecontroleerde processen. Eenmaal aangeleerd gaat de vaardigheid grotendeels automatisch. Gecontroleerde processen gaan vaker gepaard met het gevoel van vrije wil dan automatische processen, waarschijnlijk omdat ze langer duren en er dus meer tijd is om de actie te voorzien, waardoor het gevoel van vrije wil makkelijker kan ontstaan (Wegner, 2004; 2005). Tegenwoordig wordt gedrag veelal gezien als de uitkomst van het samenspel tussen automatische en gecontroleerde processen (zie bijvoorbeeld Evans, 2003; Kahneman, 2003; Metcalfe & Mischel, 1999; Strack & Deutsch, 2004).

Dat is ook het algemene theoretische kader dat ik zal gebruiken om mijn visie op het ontstaan van verslavingsgedrag te beschrijven. Maar eerst geef ik nog enkele interim-conclusies over deze recente visie op keuzegedrag en hun implicaties voor ons begrip van het ontstaan van verslavingsgedrag. Ten eerste is de algemene les uit dit soort onderzoek dat we zelfrapportages over waarom mensen middelen nemen of waarom ze verslaafd zijn geraakt, met enig wantrouwen moeten bezien. Niet noodzakelijkerwijs omdat mensen je bewust voorliegen – dat zal misschien een enkele keer voorkomen – maar meer omdat mensen nu eenmaal zo in elkaar zitten dat ze overal een sluitend verhaal van proberen te maken, ook wanneer ze de redenen voor hun gedrag eigenlijk niet kennen. Zo zeggen mensen vaak dat ze ontspannen door te roken, terwijl fysiologische maten als hartslag laten zien dat het effect van het roken nu juist lichamelijke opwinding is. Een slechte jeugd wordt vaak als reden gegeven voor het ontstaan van verslavingsgedrag. Inderdaad rapporteren kinderen van alcoholisten – die een verhoogd risico lopen om later zelf verslaafd te raken – een meer stressvolle jeugd dan andere jongeren. Maar het is niet zo dat de mate van stress tijdens de jeugd voorspelt welke kinderen van alcoholisten nu zelf verslaafd raken. Andere factoren, zoals iemands mate van impulsiviteit, hebben die voorspellende waarde wel (Sher et al., 1997). Kortom, wanneer we het ontstaan van verslavingsgedrag proberen te verklaren, moeten we zelfrapportages met enig wantrouwen tegemoettreden.

Ten tweede is het opvallend dat veel hedendaagse modellen in de psychologie van de verslaving een rationeel beslismodel als achtergrond hebben. De namen van dergelijke theorieën zeggen wat dat betreft al genoeg: de ‘theory of planned behavior’ en de ‘theory of reasoned action’. Maar is verslaving niet bij uitstek irrationeel gedrag? En geldt dit niet voor veel vormen van psychopathologie? (zie Wiers, Teachman & De Houwer, 2007) Iemand met een fobie voor spinnen weet meestal ook wel dat dat kleine beestje niks doet, toch is zij bang (anders dan bij verslaving treft deze vorm van psychopathologie voornamelijk vrouwen). Een verslaafde weet ook wel dat het verslavingsgedrag niet goed is voor de gezondheid. Maar dat is niet waar het om gaat. Hij moet het doen, hij is verslaafd.
Automatische en gecontroleerde processen bij verslavingsgedrag

Het idee dat verslaving meer met automatische, onwillekeurige en wellicht soms onbewuste processen te maken heeft dan met bewuste, rationele afwegingen en gewilde acties is niet nieuw en heeft historische wortels die ouder zijn dan de wetenschap van de psychologie. Het idee is hoogstens tijdelijk op de achtergrond geraakt onder invloed van psychologische theorieën die verslavingsgedrag vanuit een rationeel beslismodel probeerden te verklaren. Wat wel nieuw is, is dat we tegenwoordig manieren hebben om de meer automatische processen die een rol spelen bij het ontstaan van verslavingen te meten. Deze maten worden vaak impliciet genoemd. Dit kan slaan op de meetmethode, die indirect is: je vraagt niet naar wat iemand denkt dat zijn motivatie is om een middel te gebruiken, maar leidt dit indirect af uit een gedragsmaat. Het kan echter ook slaan op de uitkomst: de relatief automatische processen die de onderzoeker probeert aan te spreken tijdens de meting zijn wellicht dezelfde processen die een rol spelen tijdens het verslavingsgedrag zelf (De Houwer, 2006). Daarbij gaat het er niet om dat proefpersonen geen idee kunnen hebben wat er gemeten wordt of dat de attitude noodzakelijkerwijs onbewust is, maar wel dat mensen zich vaak niet bewust zijn van de invloed van deze processen op hun gedrag (Gawronski et al., 2006).

Hoe kun je deze processen meten bij verslavingsgedrag? Stacy (1997) heeft diverse maten ontwikkeld om automatische associaties te meten die afgeleid zijn uit geheugenonderzoek. Hij laat jongeren bijvoorbeeld ambigue woorden zien, zoals ‘rondje’ en hun opdracht is om het eerste op te schrijven wat hen te binnen schiet. Bij sommigen is dit iets dat met verslavingsgedrag te maken heeft (een rondje in de kroeg), anderen associëren meer in het domein van de geometrie. En wanneer ik u zeg de eerste activiteit te noemen die u te binnen schiet bij de woorden ‘Vrijdagavond, je voelt je goed...’, dan schiet bij sommigen wellicht sporten of sauna door het hoofd, terwijl anderen denken aan alcohol of aan marijuana. Naarmate jongeren meer verslavingsgerelateerde associaties hebben, vertonen ze ook meer verslavingsgedrag. Belangrijk daarbij is dat dergelijke maten een ander deel van de verschillen in verslavingsgedrag voorspellen dan de gebruikelijke expliciete maten, waarin mensen gevraagd wordt waarom ze drinken of blowen (Stacy, 1997).

Zelf ben ik een aantal jaren geleden met collega’s begonnen om associaties te meten met allerlei reactietijdtaken. De bekendste en meest door ons gebruikte taak is de zogenaamde Impliciete Associatie Test (iat, Greenwald et al., 1998). De iat is een categorisatietaak waarbij de deelnemer zo snel mogelijk woorden of plaatjes moet categoriseren in twee keer twee categorieën, met slechts twee antwoordknoppen. Twee categorieën delen dus een antwoordknop (zie Figuur 1). Het idee achter de taak is dat het makkelijker is de taak uit te voeren wanneer de twee concepten die een knop delen ook in het geheugen geassocieerd zijn dan wanneer dat niet zo is.

We lieten mensen bijvoorbeeld alcoholische drankjes en frisdranken categoriseren. Dit combineerden we met positief tegenover negatief. We veronderstelden dat notoire drinkers sneller zouden zijn wanneer alcohol en positief samen gecategoriseerd moesten worden dan wanneer alcohol samen met negatief gecategoriseerd moest worden, aangezien onze deelnemers (studenten) op vragenlijsten vrijwel zonder uitzondering aangeven zeer positief tegenover alcohol te staan. We vonden echter het tegenovergestelde: zowel lichte als zware drinkers waren veel sneller wanneer alcohol en negatief samen gecategoriseerd moesten worden, zware drinkers waren iets minder negatief (Wiers et al., 2002). Deze negatieve alcoholassociaties lijken iets te maken te hebben met het specifieke instrument dat we gebruikten (de iat). Het lijkt erop dat de meeste mensen zowel positieve als negatieve associaties hebben met middelen en dat de context bepaalt welke associaties vooral geactiveerd worden (Sherman et al., 2003), en dat de sterke negatieve alcoholassociaties die wij en anderen von-den met de iat vooral aan specifieke meetaspecten van de iat liggen (cf. De Jong et al., 2007; De Houwer et al., 2004; Houben & Wiers, 2006a,b; 2007a,b Huijding et al., 2006; Rothermund & Wentura, 2004).

Behalve een categorisatie in termen van positief en negatief lieten wij deelnemers ook woorden categoriseren in termen van actief tegenover passief, met als bedoeling associaties met arousal of lichamelijke opwinding te meten. De reden was dat emotieonderzoek heeft laten zien dat de twee meest fundamentele dimensies waarin emoties gecategoriseerd worden valentie (positief-negatief) en mate van activiteit (arousal) zijn (Lang, 1995). Verder stelt een momenteel invloedrijke neurobiologische theorie van verslaving dat het meest kenmerkende van verslaving ‘sensitisatie’ is: direct na inname van de stof ontwikkelt zich een steeds sterkere opwindingsreactie. Dit geldt ook voor zogenaamde kalmerende middelen als alcohol (Robinson & Berridge, 1993; 2003). Wanneer de limbische hersengebieden die met emotie en motivatie te maken hebben eenmaal geprikkeld zijn, is de detectie van iets dat eerder met de inname van dat middel geassocieerd is, voldoende om het motivationele systeem te activeren. Dat leidt vervolgens tot opwinding en de neiging het middel te gebruiken. Hiervan kán iemand zich bewust worden, dan wordt het craving of zucht genoemd, maar dit hoeft niet: de motivatie kan ook geprikkeld worden zonder dat iemand zich ervan bewust wordt (Baker et al., 2004; Robinson & Berridge, 2003). Belangrijk in deze theorie is ook dat er een apart neuraal systeem verondersteld wordt voor (onbewuste) appetitieve motivatie (‘wanting’) en voor valentie van stimuli (‘liking’). Kenmerkend voor verslaving is dat ‘wanting’ steeds sterker wordt, zelfs bij afnemende ‘liking’.

In tegenstelling tot onze bevindingen wat betreft de impliciete valentieassociaties, vonden we in de tweede dimensie wel precies wat we verwacht hadden te vinden: zware drinkers associëren alcohol met opwinding, terwijl dit voor lichte drinkers niet geldt (Wiers et al., 2002). Deze automatische associaties voorspellen een ander deel van de variatie in drinkgedrag in de maand na het onderzoek dan wat de deelnemers invullen op vragenlijsten. Automatische associaties tussen alcohol en opwinding bij zware drinkers zijn gerepliceerd door onszelf (Houben & Wiers, 2006-a; Van den Wildenberg et al., 2006; Wiers et al., 2005) en door anderen (De Houwer et al., 2004). De zware drinkers zeggen dus vooral dat ze drinken leuk en gezellig vinden, maar hun meest kenmerkende automatische associaties zijn die met opwinding.

Zie figuur 1.

Op grond van deze vondst hypostaseerde ik dat we door het meten van automatische associaties wellicht een beter beeld kunnen krijgen van de meer automatische processen die een rol spelen bij het ontstaan van verslavingsgedrag en daarmee ook een betere aansluiting met neurobiologische theorieën over verslaving dan wanneer we alleen afgaan op zelfrapportage. Dat laatste moet nog wel bewezen worden. Feit is in ieder geval dat we wat anders meten dan met zelfrapportage alleen en dat we daarmee ook andere aspecten van verslavingsgedrag kunnen voorspellen. Het is belangrijk te noemen dat er recent nog veel meer methoden zijn ontwikkeld om de meer automatische processen bij verslavingsgedrag te meten. Zo zijn er methoden ontwikkeld om een automatische aandachtsbias te meten (zie bijvoorbeeld Franken, 2003; Bruce & Jones, 2006; Field et al., 2006) en om automatische actietendensen te meten waaruit blijkt dat rokers en drinkers een automatische neiging hebben om naar het middel toe te bewegen (‘approach’, Field et al., 2005; Mogg et al., 2003; Wiers, Rinck et al., 2007). In een recente studie vonden wij dat de automatische aandachtsbias voor alcohol bij zware drinkers zeer sterk samenhing met de automatische neiging om naar een alcoholisch drankje toe te gaan, maar alleen na een paar glazen alcohol, niet na placebo (Schoenmakers et al., in druk). Het lijkt er dus op dat de automatische processen bij zware drinkers meer gesynchroniseerd gericht raken op inname van meer alcohol, na een paar glazen.

Er zijn ook diverse methodes ontwikkeld om bij mensen de relevante fysiologische en hersenprocessen te meten (Franken et al., 2006; Mucha et al., 2006). Zo vonden Ingjaldson en collega’s (2003) dat zeer kort aangeboden plaatjes van alcoholische drankjes tot statistisch betrouwbare veranderingen in het hartslagpatroon leidden bij alcoholisten die van tevoren een sterke zucht naar alcohol rapporteerden. Bij andere alcoholisten en controleproefpersonen was dat niet het geval. Interessant daarbij was dat ze niet bewust het verschil tussen de kort aangeboden alcohol- en controleplaatjes konden rapporteren. Het ‘hart’ reageert dus anders dan het hoofd wanneer de nood hoog is.
Het ontstaan van verslavingsgedrag

Dan nu naar mijn eigenlijke onderwerp: het ontstaan van verslavingsgedrag bij jeugdigen. Allereerst is het belangrijk op te merken dat er nog vrijwel geen onderzoek is gedaan naar de ontwikkeling van automatische processen bij jongeren in relatie tot verslavingsgedrag. Ik schets daarom een model van hoe volgens mij verslavingsgedrag ontstaat (zie voor een uitgebreidere wetenschappelijk onderbouwde versie Wiers, Bartholow et al., 2007 en voor een uitgebreide Nederlandstalige inleiding Wiers, 2007). Hoewel de onderdelen van het model op onderzoeksbevindingen steunen, is het model als geheel nog niet getest.

De basis van het model is dat verslavingsgedrag net als veel ander gedrag beïnvloed wordt door twee verschillende soorten processen: automatische, veelal affectieve processen en gecontroleerde, veelal regulerende processen. Het cruciale van het ontstaan van verslavingsgedrag is dat beide processen veranderingen ondergaan als gevolg van het (beginnende) verslavingsgedrag zelf. De automatische affectieve associaties worden steeds sterker, door specifieke neuro-adaptaties in de hersengebieden die met emotie en motivatie te maken hebben (sensitisatie, Robinson & Berridge, 1993; 2003). Wat betreft de gecontroleerde regulerende processen zijn er de laatste tijd steeds meer bevindingen die erop wijzen dat middelengebruik deze vermogens aantast. Verder is gebleken dat dit sterker het geval is wanneer het middelengebruik in de adolescentie plaatsvindt, waarschijnlijk omdat de hersengebieden die met de regulatie van emotie en motivatie te maken hebben dan nog volop in ontwikkeling zijn (Dahl & Spear, 2004).

Het is niet moeilijk om in te zien dat het netto-effect van deze twee veranderingen in de hersens is dat iemand steeds meer verslavingsgedrag vertoont: de (vaak onbewust geprikkelde) motivatie om het middel te nemen wordt steeds sterker, terwijl het vermogen om dergelijke impulsen af te remmen juist afneemt. Daar komt nog het acute effect van een middel bij: recent onderzoek toont aan dat alcohol en veel andere middelen gecontroleerde processen sterk negatief beïnvloeden, terwijl ze automatische processen ongemoeid laten of zelfs kunnen versterken. Dus voor zover een zwaar drinkende jongere nog de intentie had om het bij een paar biertjes te laten, zal dit steeds minder effect op het gedrag hebben naarmate er meer biertjes gedronken zijn. En hetzelfde geldt voor ander gedrag waarbij er een conflict is tussen automatische affectieve associaties en gecontroleerd gedrag, zoals condoomgebruik. Dezelfde jongere die overdag op een vragenlijst braaf invult zeker een condoom te gebruiken mocht hij in een situatie komen waarin dit relevant is, wordt op het moment suprême na een groot aantal biertjes niet of nauwelijks meer beïnvloed door rationele overwegingen (MacDonald et al., 1996). Het is dan ook goed om automatische associaties te meten in dit domein (zie voor een toepassing op veilig vrijen: Marsh et al., 2001).

Vanuit zogenaamde duale procesmodellen (dual process models) blijken twee factoren belangrijk bij het reguleren en afremmen van ongewenste gedragsimpulsen: het vermogen en de motivatie om dit te doen (Fazio, 1990; Fazio & Olson, 2003). Wanneer jongeren beginnen met verslavingsgedrag zijn zij nog wel in staat om dit gedrag te reguleren. Wat echter ontbreekt, is de motivatie om dit te doen. Wanneer het verslavingsgedrag verder ontwikkeld is en de negatieve gevolgen duidelijker worden (en ook toegeschreven worden aan het verslavingsgedrag!), zal de motivatie om het gedrag te veranderen toenemen. Het problematische is echter dat het op dat moment moeilijker is geworden om dit nog te doen, vanwege de twee hierboven geschetste aanpassingen in de hersens (sterkere automatische neiging tot herhaling van het verslavingsgedrag en afgenomen vermogen om te reguleren). Vandaar dat verslavingsgedrag bij uitstek een probleem is waarvoor preventie en vroege interventie belangrijk zijn. Daarbij loop je meteen tegen het probleem aan dat de jongeren het probleem (nog) helemaal niet zien en in het algemeen niet gemotiveerd zijn om iets aan hun gedrag te veranderen. Dit is ook de reden dat een van de weinige vroege interventies waarvan is aangetoond dat zij bij jongeren effect heeft, een motiverende interventie is (Marlatt et al., 1998).

Waarom begint een jongere eigenlijk aan verslavingsgedrag? Er zijn veel aanwijzingen dat dit vooral met omgevingsfactoren te maken heeft. Naarmate het makkelijker en gewoner is om op jonge leeftijd middelen te gebruiken, gebeurt dit meer. Interessant is vanuit dit perspectief ook de recente opkomst van allerlei premix-drankjes: zoete, alcoholische drankjes die drempelverlagend werken voor jongeren (met name voor meisjes). De meeste jongeren vinden alcohol aanvankelijk vies, maar als ze eenmaal begonnen zijn met drinken gaan andere, deels genetisch gemedieerde processen een rol spelen. In termen van het incentive sensitization-model (Robinson & Berridge, 1993; 2003) ontwikkelt zich met herhaald gebruik een gesensitiseerde respons op het middel en op dingen die de komst van het middel aankondigen (‘wanting’) en dit gebeurt onafhankelijk van ‘liking’. De genetisch gemedieerde ‘wanting’-respons zorgt dan voor een escalatie in gebruik, waarop de jongere vervolgens weer allerlei verklaringen kan verzinnen waarom hij drinkt (‘lekker’, ‘gezellig’, ‘het hoort erbij’ enzovoort). Recent vonden wij in een eerste studie bij jonge adolescenten dat automatische associaties tussen alcohol en opwinding bij twaalfjarige jongens voorspelde wie er een jaar later overmatig dronk (Thush & Wiers, 2007). Voor zover automatische associaties met opwinding dus ‘wanting’ bij mensen reflecteren, is deze bevinding in overeenstemming met dit model. Verder denk ik dat het gevoel van vrije wil hier een rol speelt. Zoals eerder besproken ontstaat dit gevoel vooral bij gedrag dat we kunnen beïnvloeden. De eerste keer dat we een sigaret opsteken of een biertje drinken, zal dit waarschijnlijk als een vrije keuze worden ervaren. Normaal gesproken geldt voor dergelijk gedrag dat we het in de toekomst ook kunnen reguleren (Wegner, 2004; 2005). Wat we echter op dat moment over het hoofd zien, is dat onze hersens zich zullen aanpassen als gevolg van het gedrag en dat de regulatie van deze specifieke actie in de toekomst steeds moeilijker wordt. Interessant is in dit opzicht dat het oude idee van verslaving als een aantasting van de wil weer opgeld doet (Bechara et al., 2006). Belangrijk verschil met vroeger is dat de wilszwakte nu als een gevolg van zowel iemands aanleg als van het verslavingsgedrag gezien wordt en niet als een verwijtbaar gebrek aan wil tot verandering.
Implicaties voor interventies en behandeling

Welke implicaties heeft deze visie op verslavingsgedrag voor interventies? De eerste is dat wanneer we de meer automatische processen die een rol spelen bij dit gedrag kunnen meten, we ook een idee kunnen krijgen van de effecten van bestaande interventies op beide soorten processen. Zo von-den wij (Wiers et al., 2005) dat een gedragstherapeutische interventie (de zogenaamde expectancy challenge) bij zwaar drinkende studenten wel het beoogde effect had op de zelf gerapporteerde verwachte effecten van alcohol, maar niet of nauwelijks op hun automatische associaties. Beide effecten van de interventie vertoonden totaal geen samenhang. Een vergelijkbare bevinding is ook gedaan voor automatische angstassociaties (Teachman & Woody, 2003).

Een tweede toepassing is om impliciete maten mee te nemen bij onderzoek naar verslaafden die gaan afkicken. Cox en collega’s (2002) vonden dat de toename van de aandachtsbias voor alcohol bij alcoholisten in behandeling, beter voorspelde wie terugviel dan zelf gerapporteerde zucht of andere variabelen. Wij vonden zelf onlangs dat automatische associaties tussen alcohol en opwinding en tussen alcohol en toenadering uitval voorspelden (Wiers, Stassen & Lemmens, 2006), terwijl de zelf gerapporteerde zucht naar alcohol dat niet deed.

Een logische vervolgvraag vanuit een klinisch perspectief is wat je het beste kunt doen als iemand eenmaal een verslavingsprobleem heeft ontwikkeld. Vanuit het eerder geschetste model kunnen we een aantal dingen proberen. We kunnen bijvoorbeeld proberen de regulatie van de automatische tendens om een middel te nemen te verbeteren. Zoals eerder geschetst zijn daarbij twee factoren belangrijk: vermogen en motivatie. Er zijn aanwijzingen dat beide te beïnvloeden zijn. In een recent onderzoek samen met de groep van Alan Stacy hebben we onderzocht of een eenmalig motiverend gesprek bij jongeren met een hoog risico op verslaving, effect heeft op hun middelengebruik. Een tweede, nog zeer experimentele methode is om te proberen de automatische processen bij verslavingsgedrag direct te beïnvloeden. In deze zeer nieuwe lijn van onderzoek zijn enkele veelbelovende resultaten te melden (Field & Eastwood, 2005; Schoenmakers et al., 2006; Wiers, Kordts et al., 2006; zie voor een overzicht, Wiers, Cox et al., 2006). Verder kan men proberen alternatief gedrag voor verslavingsgedrag te automatiseren (bijvoorbeeld met zogenaamde implementatie-intenties, zie Prestwich et al., 2006).

Bovenstaande interventies zijn gericht op jongeren die al verslavingsgedrag vertonen. Maar vanwege de snel accumulerende bevindingen vanuit de neurobiologie dat verslavingsgedrag tijdens de adolescentie een sterker effect op de hersens heeft dan tijdens de volwassen leeftijd (Dahl & Spear, 2004), is het natuurlijk beter verslavingsgedrag op jonge leeftijd te voorkomen. De grote vraag is alleen hoe. Het is duidelijk dat het huidige beleid niet effectief is: uit diverse onderzoeken blijkt dat jongeren in Nederland steeds meer alcohol drinken en dat dit op steeds jongere leeftijd gebeurt (Monshouwer et al., 2004; zie ook Van de Luitgaarden et al., 2006). Het wordt steeds normaler gevonden dat jongeren zich elk weekend klem zuipen. Nederland is inmiddels een van de koplopers in de westerse wereld wat betreft drankmisbruik bij jongeren (Hibell et al., 2004). Het ligt voor de hand dat dit te maken heeft met het feit dat we ook een van de meest tolerante (ofwel lakse) wetgevingen kennen voor het voorkomen van middelengebruik bij jongeren. Waar andere landen maatregelen nemen waarvan op grond van onderzoek effecten zijn te verwachten (accijnsverhoging, rookverbod in de horeca, hogere leeftijdsgrens voor alcoholverkoop en strenge handhaving daarvan, geen reclame voor alcohol in de vroege avond), kiezen Nederlandse politici veelal voor een polderoplossing: samen met de alcohol- en tabaksindustrie wordt er overlegd en beloven de laatsten aan ‘zelfregulatie’ te doen. Het netto-effect daarvan is dat er steeds meer jongeren drinken en jongeren – anders dan andere leeftijdsgroepen – niet minder gaan roken. Een hogere minimumleeftijd voor alcoholverkoop en een rookverbod in de horeca worden hier als ’onhaalbaar’ beschouwd, terwijl beide in diverse andere landen succesvol worden toegepast (als Italië een rookverbod in de horeca kan handhaven, waarom wij dan niet?). In veel Amerikaanse staten is de minimumleeftijd om alcohol te kopen 21. De eerste reactie van vrijwel elke Nederlander is dat die maatregel niet werkt: er zijn genoeg Amerikanen onder de 21 die al drinken. Dat klopt, maar onderzoek toont aan dat staten die de leeftijdsgrens verlaagden van 21 naar 18 een toename in alcoholproblemen te zien gaven in vergelijking met staten waarin dit niet gedaan werd (Wagenaar et al., 2006). Verder blijkt uit toonaangevende reviews dat er effectieve maatregelen mogelijk zijn om verslavingsgedrag bij jongeren te verminderen (met name een hogere leeftijdsgrens en accijnsverhoging, Room et al., 2004; Wagenaar et al., 2006). Het enige probleem is dat ze in Nederland niet worden uitgevoerd.
Nieuwe onderzoekslijnen

Ik ben met diverse onderzoekslijnen bezig die te maken hebben met de algemene thematiek die ik hier heb geschetst: automatische en gecontroleerde processen bij verslavingsgedrag. Op mijn nieuwe plek in Nijmegen zal de nadruk natuurlijk vooral op de jeugd liggen. Een samenwerking waar ik in deze context veel van verwacht is om via internet afgenomen metingen van automatische processen bij verslavingsgedrag te koppelen aan de grote onderzoeken naar het ontstaan van verslavingsgedrag zoals die uitgevoerd worden in de groep van Rutger Engels. Zoals eerder gemeld is hier nog vrijwel geen onderzoek naar gedaan. Een tweede onderzoekslijn die zeer interessant is, is die naar acute effecten van alcohol op sociaal gedrag bij jongeren. Mijn model van het ontstaan van verslavingsgedrag gaat vooral over intrapsychische processen. Bij jongeren is verslavingsgedrag echter iets dat bij uitstek gebeurt in groepen, met leeftijdgenoten. Hier valt dus nog een wereld te winnen. Als derde zou ik in de toekomst graag het onderzoek naar impliciete processen bij verslavingsgedrag en naar de effecten van verslavingsgedrag op jonge leeftijd koppelen aan maten die de onderliggende hersenprocessen in kaart brengen.

Prof.dr. R.W. Wiers is als universitair hoofddocent verbonden aan de Capaciteitsgroep Experimentele klinische psychologie Sectie Eetstoornissen en verslaving van de Universiteit van Maastricht en als hoogleraar Experimenteel psychologisch onderzoek naar verslaving bij jeugdigen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Noot: dit artikel is een ingekorte en licht aangepaste versie van de rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Experimenteel psychologisch onderzoek naar verslaving bij jeugdigen aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen op vrijdag 30 juni 2006.
© 2017 KATARSIS VZW • info@katarsis.be • +32.(0)11.27.27.82